
Aan het begin van de twintigste eeuw leefde een deel van de Joodse bevolking van Leek in moeilijke omstandigheden. Hoewel de algemene welvaart in het dorp toenam, profiteerde niet iedereen daarvan. Rond 1905 telde de Joodse gemeente 37 gezinnen met ongeveer 140 leden. Acht gezinnen waren afhankelijk van ondersteuning door het Israëlitisch armbestuur. Vooral oudere alleenstaanden leefden in slechte woningen. Zo verkeerden de huizen van Noach van Dam en Salomon Levij aan de Schreiershoek in een slechte staat. Bij Salomon Levij moesten het dak en het metselwerk worden hersteld, terwijl de woning van Noach van Dam eerst van ongedierte moest worden ontdaan. Ook Johanna Wijnberg woonde onder erbarmelijke omstandigheden. Zij beschikte over een kleine kamer met bedstede onder een afdak, waar de rook nauwelijks kon ontsnappen. Deze voorbeelden laten zien hoe groot de behoefte was aan een geschikte woonvoorziening voor hulpbehoevende leden van de Joodse gemeente.
Eén van de bekendste voorbeelden van deze armoede was de veehandelaar Heiman Duitscher. Nadat hij jarenlang voor zijn ouders had gezorgd, bleef hij op hoge leeftijd alleen achter zonder gezin dat voor hem kon zorgen. Zijn inkomsten uit de veehandel waren onvoldoende om van te leven. In 1900 deed hoofdonderwijzer Renze Boonstra uit Tolbert daarom een openbare oproep aan de inwoners van Leek om Duitscher te ondersteunen. Daarbij benadrukte hij niet alleen diens armoede, maar vooral zijn plichtsbesef en de jarenlange zorg voor zijn ouders.
De oproep maakte indruk. Onder leiding van meubelfabrikant Siemon Aptroot werd geld ingezameld om een eigen Joods armenhuis te realiseren. Ook particuliere giften en gemeentelijke bijdragen maakten de bouw mogelijk. Een belangrijke steun vormde bovendien een legaat van ƒ500 uit de nalatenschap van burgemeester jhr. Hobbe van Panhuijs. Op 5 mei 1907 vond de chenoek (de inwijding) van het nieuwe Joodse armenhuis aan de Schreiershoek plaats.
Het armenhuis bestond uit een dubbelwoning aan de toenmalige adressen A361 en A362. Deze woningen komen overeen met de huidige huisnummers Schreiershoek 25 en 26. Het gebouw bood plaats aan meerdere hulpbehoevende leden van de Joodse gemeente, terwijl de bewoners toch binnen hun eigen geloofsgemeenschap konden blijven wonen.
Een van de eerste bewoners was de 69-jarige Israël van Hasselt uit Nietap. Hij wilde niet naar een algemeen armenhuis verhuizen, omdat daar geen rekening werd gehouden met de Joodse spijswetten. Dankzij het nieuwe tehuis kon hij binnen de eigen gemeenschap worden verzorgd. In 1910 woonden er onder anderen Noach van Dam, Heiman Duitscher, Salomon Levij, Hesther Oudgenoeg en Hartog Rozendal.
Uit de financiële verantwoording van het Israëlitisch armbestuur over 1908 blijkt hoe zorgvuldig het armenhuis werd beheerd. De grootste uitgaven bestonden uit voeding, brandstoffen, kleding, bewassing en de verzorging van de bewoners. Ook begrafeniskosten maakten deel uit van de begroting. De inkomsten kwamen uit bijdragen van de Joodse gemeente, subsidies van de gemeenten Leek en Roden en opbrengsten uit rentegelden en een boeldag op Nienoord.
Hoewel de afhankelijkheid van de armenzorg in de jaren daarna geleidelijk afnam, bleef het armenhuis nog lange tijd in gebruik. De economische positie van veel Joodse inwoners verbeterde zichtbaar. Waar in 1911 nog meerdere gezinshoofden als onvermogend of minvermogend werden aangemerkt, betaalden zij in 1919 allemaal belasting. Ook de geschatte inkomens van verschillende Joodse ondernemers en handelaren namen in deze periode toe.
In de jaren dertig werd het rechterdeel van de voormalige dubbelwoning bewoond door Simon van Dam, diens echtgenote Golda van Coevorden en hun zoontje Izaäk van Dam. Ook Simons ouders, Izak van Dam en Hester Oudgenoeg, woonden bij het gezin in. Tijdens de Duitse bezetting werden zij vanuit dit huis gedeporteerd en uiteindelijk vermoord. Voor hen liggen tegenwoordig Stolpersteine in de stoep voor de woning.
Het voormalige armenhuis bleef na de oorlog als woonhuis in gebruik. Toen in 2026 bekend werd dat de woningen aan de Schreiershoek zouden worden gesloopt ten behoeve van nieuwbouw, ontstond bezorgdheid over het verdwijnen van een belangrijk onderdeel van de Joodse geschiedenis van Leek. De gemeente Westerkwartier besloot daarop dat de Stolpersteine behouden blijven en na de werkzaamheden worden teruggeplaatst. Daarnaast wordt een informatiebord geplaatst waarop de geschiedenis van het Joodse armenhuis en zijn bewoners wordt verteld. Daarmee blijft de herinnering aan de bewoners én aan de zorg die de Joodse gemeenschap voor haar minder draagkrachtige leden organiseerde ook voor toekomstige generaties zichtbaar.
Bronnen:
Boek G.J. van Klinken en J.H. de Vey Mestdagh, De joodse gemeenschap in het Groninger Westerkwartier, Peize en Roden (Groningen 1985) 126
RTV Noord
RTV Zulthe
Illustraties:
© Collectie Regina Philip
Beeldbank Groningen
Gepubliceerd:
10-07-2026